In de bekende zaak-Heringa, waarin  de zoon zijn hoogbejaarde moeder hielp bij haar zelfdoding, had de Zutphense rechtbank in eerste instantie geen straf opgelegd, maar het feit wel bewezenverklaard, art. 9a Sr. Het Arnhemse hof daarentegen ontsloeg Heringa van strafvervolging omdat hij in noodtoestand, vanwege een conflict van plichten, had gehandeld. Het openbaar ministerie overweegt cassatie bij de Hoge Raad in te stellen.

 

 

(Annotatie T.M. Schalken bij arrest Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de dato 13 mei 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:3444, “Gezondheidsrecht Jurisprudentie”, <GJ> 2015/86)

 

 

 

NOOT:

 

 

1. Naarmate een door justitie te handhaven norm meer omstreden is, des te meer worden de verschillen tussen juristen en niet-juristen (zoals medici) zichtbaar. De casus in de zaak Heringa, die zijn hoogbejaarde moeder hielp bij haar zelfdoding, laat dat goed zien. Juristen wijzen op de algemene norm in de wet dat hulp bij de zelfgekozen dood alleen door een arts kan worden verleend (vanwege de expertise, de noodzakelijke zorgvuldigheid en de vereiste distantie), terwijl niet-juristen naar aanleiding van een concrete casus menen dat het humaan zou zijn als die hulp ook door een niet-arts wordt verleend.

Juristen weten dat de toepasselijkheid van een norm in de wet nooit beperkt is tot een bepaalde casus, maar dat die norm juist algemene werking toekomt. Die werking van de norm in verband met hulp bij zelfdoding (art. 294 lid 2 Wetboek van Strafrecht, Sr) beoogt in de eerste plaats misbruik of verkeerd gebruik van de straffeloze hulpverlening te voorkomen, doch miskent allerminst dat er individuele gevallen zijn waarin afwijking van die norm gerechtvaardigd is.

Daarom accepteert ook de wetgever dat er bijzondere omstandigheden kunnen zijn dat een niet-arts tot hulp bij zelfdoding overgaat, hetzij omdat deze in een particuliere situatie meent dat zijn zorgplicht maatschappelijk een zwaarder belang vertegenwoordigt dan het wettelijk beoogde belang (overmacht als rechtvaardigingsgrond, als noodtoestand), hetzij omdat hij meent dat hij op grond van persoonlijke omstandigheden ertoe gedwongen werd de gewraakte hulp te verlenen waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon bieden (overmacht als schulduitsluitingsgrond, psychische overmacht). In het eerste geval is hij niet strafbaar omdat het feit, de hulp, niet strafbaar wordt geacht, in het tweede geval is hij evenmin strafbaar, maar nu omdat hem persoonlijk geen verwijt treft, terwijl de wettelijke norm op zichzelf onaangetast blijft.

2. In de zaak Heringa had de Zutphense Rechtbank in eerste aanleg voor geen van beide opties gekozen (die uitspraak annoteerde ik eerder in <GJ> 2013/148; voor de feiten verwijs ik kortheidshalve naar dat vonnis). De Rechtbank oordeelde dat Heringa geen straf behoorde te krijgen vanwege de persoonlijke omstandigheden in die zaak (en paste het zogenaamde ‘rechterlijk pardon’ toe, art. 9a Sr, geen oplegging van straf of maatregel), terwijl het Arnhemse Hof een stuk verder gaat en tot het oordeel kwam dat de geboden hulp zelfs geen strafbaar feit opleverde (omdat Heringa in overmacht als noodtoestand zou hebben gehandeld).

In beide gevallen gaat de niet-arts als hulpverlener weliswaar                   vrijuit, maar er is één belangrijk verschil. De Rechtbank Zutphen miskende niet de geldigheid van de wettelijke norm (hulpverlening moet door een arts geschieden), maar vond alleen in de persoonlijke omstandigheden van Heringa een geldig excuus om hem geen straf op te leggen. Het Arnhemse Hof daarentegen was van oordeel dat de wettelijke norm in deze zaak in het geheel niet van toepassing was. Dit houdt – nu het ging om een situatie waarin de moeder van Heringa ‘klaar met het leven’ was – een extensieve interpretatie van de wettelijke norm in, waarbij de vraag rijst of dat nog wel past binnen de bedoeling van de wetgever zoals die ook in de rechtspraak is uitgelegd.

Immers, voor de juridische beoordeling van ‘klaar met het leven’ situaties (ook wel aangeduid als ‘lijden aan het leven’) is nog steeds leidend het ‘Brongersma’-arrest uit 2002 (NJ 2003/167 met noot T.M. Schalken)[1]. In die uitspraak  heeft de Hoge Raad bepaald dat een hulpverlener (zelfs een arts) zich niet met vrucht op overmacht in de zin van noodtoestand kan beroepen ‘in geval van afwezigheid van medisch geclassificeerde somatische of psychische ziektes of aandoeningen’. Aldus de Hoge Raad met een duidelijk beroep op de wetsgeschiedenis van de euthanasiewetgeving (zie hierover de VU-dissertatie van E. Pans, De normatieve grondslagen van het Nederlandse euthanasierecht, 2006).

3. Dit zou het eerste punt van kritiek kunnen zijn op het arrest van het Arnhemse Hof dat niet helder aangeeft in hoeverre de doodswens van de 99-jarige ‘Moek’ een medische ziekte of aandoening tot oorsprong had. Het Hof spreekt weliswaar over bij haar vastgesteld ‘zeer ernstig fysiek en psychisch lijden’ – op haar leeftijd waren de lichaamsgebreken onmiskenbaar -, hoewel in het arrest de indruk wordt gewekt dat de ‘klaar met leven’-problematiek de overhand kreeg (hetgeen ongetwijfeld mede door ‘medisch geclassificeerd’  lijden werd veroorzaakt, hetgeen het Hof naliet  te benadrukken). Was de beoordeling van het ‘uitzichtloos en ondraaglijk lijden’ door een niet-medicus – zijnde haar zoon – voldoende professioneel om op grond daarvan een wettelijke norm (via de noodtoestand-constructie) buiten toepassing te laten?

Het zou interessant zijn te weten hoe de Hoge Raad in deze tijd denkt over het ontbreken van professionele expertise en distantie als onderdeel van de wettelijke zorgvuldigheidseisen (bestemd voor een arts, dus zeker voor een niet-arts)[2]. Mogelijk dat de Hoge Raad sinds 2002 een verschuiving constateert in het ‘wetenschappelijk verantwoord medisch inzicht en in de medische ethiek geldende normen’ (Brongersma-arrest). Is daarvoor voldoende dat het Hof verwijst naar het standpunt van de KNMG die in een rapport uit 2011 opmerkt dat zowel medische als niet medische problemen (zoals kwetsbaarheid, functieverlies, eenzaamheid, verlies van autonomie) verdisconteerd mogen worden door de arts bij de toepassing van het zelfgekozen levenseinde?

Zolang een eenduidig standpunt van de Hoge Raad, ter nadere duiding van het Brongersma-criterium, niet bekend is, krijgt het arrest van het Arnhemse Hof een ‘activistisch’ karakter in die zin, dat daarin de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever opzij wordt geschoven in plaats van het honoreren van kennelijk voldoende geachte excuseerbare persoonlijke omstandigheden bij diegene die bij de zelfdoding behulpzaam was. In dat opzicht zou de keuze voor de Zutphense oplossing, het rechterlijk pardon, nog het meest verdedigbaar zijn geweest[3].

4. Een tweede punt van kritiek dat men tegen het Arnhemse arrest naar voren zou kunnen brengen, illustreert nog duidelijker dat het Hof in wezen een ‘activistisch’ standpunt heeft ingenomen. Het Hof roept met zoveel woorden in herinnering dat het eerder heeft overwogen dat ‘iemand die geen arts is geen geslaagd beroep op noodtoestand kan doen behoudens zeer uitzonderlijke omstandigheden’. In zo’n uitzonderlijk geval is de ‘manoeuvreerruimte van de rechter uitermate klein’ (NJ 2012/509 met noot T.M. Schalken). Deze beperkte beoordelingsruimte werd in die zaak bij voorbeeld niet aanwezig geacht doordat een arts weigerde zijn medewerking te verlenen.

In de zaak Heringa was er zelfs geen sprake van dat een arts zijn of haar medewerking weigerde, integendeel. De eigen huisarts was, na een aantal gesprekken met ‘Moek’ in het verzorgingshuis, nog niet van haar doodswens overtuigd, weigerachtig was de arts niet. Voor het Hof was die vaststelling kennelijk voldoende. Het heeft zich niet door eigen onderzoek vergewist dat een andere arts, zoals een SCEN-arts, werd geconsulteerd, door de zoon of door de huisarts (zie hierover E. Pans, De Hoge Raad en de onzekere arts, NJB 2003/17, p. 870). Het Hof baseert zich slechts op de aanname (niet de eigen feitelijke vaststelling) dat in 2008 – toen de zelfdoding plaatsvond – geen arts bereid zou zijn om ‘Moek’ te helpen, gelet op de medische euthanasiepraktijk die destijds ‘strikter’ zou zijn geweest dan tegenwoordig.

Kennelijk bedoelt het Hof te zeggen dat een niet-arts in de huidige tijd minder snel een beroep kan doen op de noodtoestand-constructie (omdat er nu wel alternatieven aanwezig zouden zijn, hetgeen de suggestie inhoudt dat er ook nu al ruimte is voor een praktijk van hulp bij zelfdoding door niet-artsen naast een praktijk door artsen). Die suggestie wordt nog versterkt doordat het Hof verwijst naar het rapport van de KNMG uit 2011 waarin de medische beroepsorganisatie eveneens een rol voor de arts bij ‘klaar met het leven’ lijkt te zien weggelegd, terwijl het (niet in het arrest genoemde) KNMG-rapport Dijkhuis uit 2004 laat zien dat het denken over ‘klaar met leven’ en de rol van de arts daarbij nog in ontwikkeling is, waardoor er nog geen harde grenzen kunnen worden getrokken.[4]

5. De constatering van het Hof dat in 2008 geen arts bereid zou zijn geweest ‘Moek’ hulp bij zelfdoding te verlenen, een opvatting die feitelijk nauwelijks is onderbouwd, maakt het arrest van het Hof politiek zeer gevoelig. Het Hof meent dat in deze zaak, bij een conflict van plichten, de wettelijke norm niet van toepassing was op grond van een veronderstelde ontwikkeling in de medische praktijk (het KNMG-rapport uit 2011), bij voorbeeld omdat destijds nog geen alternatieven, zoals de Levenseindekliniek[5], voorhanden waren[6].

Met die overweging wil het Hof het uitzonderingskarakter van de Heringa-uitspraak benadrukken (zie ook het ‘Ten overvloede’ in het arrest). Het is maar helemaal de vraag of daarmee de voorafgaande beschouwingen van het Hof – over de hulpverlening door een niet-arts buiten medische betrokkenheid in een overwegend  ‘klaar met het leven’-situatie – kunnen worden gerechtvaardigd.

Kern van de kritiek is vooral dat het Hof de wettelijke zorgvuldigheidseisen, die volledig op medische tussenkomst zijn toegesneden, van overeenkomstige toepassing verklaart op de handelwijze van Heringa als niet-arts. Het Hof overweegt weliswaar in abstracto dat het zich van dat onderscheid bewust is, maar werkt dat feitelijk niet of niet voldoende uit. Dat is een aanpak die kan leiden tot aantasting en uitholling van de wettelijke zorgvuldigheidseisen, waaraan Heringa als niet-arts en familielid in geen enkel opzicht voldeed.

6. In de aftakeling van het leven kunnen zich in humanitair opzicht invoelbare en zeer complexe situaties voordoen. Als in die gevallen bij euthanasie en hulp bij zelfdoding verontschuldigbaar wordt gehandeld, zelfs als de wettelijke zorgvuldigheidseisen niet in acht worden genomen (zoals in de zaak Heringa: geen hulpverlening door een arts, geen consultatie van een derde-arts, geen medische beoordeling van het lijden, geen professionele distantie, geen speciale expertise bij de beoordeling van de juiste medicatie, geen serieus onderzoek naar deugdelijke alternatieven, het voortijdig verlaten van de stervende, geen melding van de niet-natuurlijke dood), zelfs dan biedt het recht in bijzondere gevallen – waarin de integriteit van de hulpverlener niet ter discussie staat – voldoende mogelijkheden om de niet-medicus strafrechtelijk te ontzien, zonder evenwel de wettelijke basisnorm van medische exclusiviteit aan de kant te schuiven.

 

T.M. Schalken

Emeritus hoogleraar strafrecht Vrije Universiteit Amsterdam

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



[1] In de uitspraak van het Hof wordt (meer dan een keer) vermeld dat het Brongersma-arrest uit 2004 dateert, terwijl dat 2002 moet zijn.

[2] Het Openbaar Ministerie heeft aangekondigd dat het (voorlopig) beroep in cassatie heeft ingesteld.

[3] Wellicht krijgt de Hoge Raad ook de gelegenheid zich uit te spreken over de verhouding tussen het verbod op hulp bij zelfdoding (art. 294 lid 2 Sr) en het (grondrechtelijk en verdragsrechtelijk beschermde) recht op ‘private life’ (art. 10 Grondwet c.q. art. 8 EVRM), op welk punt door de verdediging verweer is gevoerd dat door het Hof werd verworpen. In dit verband rijzen relevante vragen zoals: houdt het recht op privéleven in dat dit recht belangrijker wordt geacht dan het verbod op hulp bij zelfdoding, impliceert het recht op privéleven tevens het recht op zelfdoding en zou in dit verband een onderscheid gemaakt moeten worden tussen (transparante) hulp door intimi dan wel door hulpverleners (hierover Govert den Hartogh,”Hulp bij zelfdoding door intimi. Een grondrechtsconforme uitleg van art. 294 Sr”, in NJB 2014/24, p. 1598)?

[4] ‘Op zoek naar normen voor het handelen van artsen bij vragen om hulp bij levensbeeindiging in het geval van lijden aan het leven/Verslag van de werkzaamheden van een commissie onder voorzitterschap van prof. J.H. Dijkhuis’, Utrecht: KNMG 2004.

[5] Ook ten aanzien van alternatieven blijft de toetsing overigens kritisch, zowel door als ten aanzien van de Levenseindekliniek; zie bij voorbeeld recente oordelen van Regionale toetsingscommissies zoals in <GJ> 2015/55 en 56 (met kritische annotatie van J.H. Hubben), terwijl verreweg de meeste verzoeken om levensbeëindiging door de kliniek worden afgewezen (www.levenseindekliniek.nl/jaarverslag-2014).

 

[6] Opvallend is dat het Arnhemse Hof – in een zaak van een niet-arts die ongeveer in dezelfde periode (in 2007) hulp bij zelfdoding verleende – geen noodtoestand aanvaardde ‘omdat niet aannemelijk is geworden dat alternatieven niet voorhanden waren’, waarna – hoger dan het OM had geëist – een straf van 1 jaar voorwaardelijke gevangenisstraf werd opgelegd (NJ 2012/509).