NOOT:

 

 

Nieuwe opsporingsmethoden in het mediatijdperk blijven vragen oproepen omtrent de toelaatbaarheid ervan in het licht van de legaliteitseis. Is voor zo’n nieuwe methode een specifieke wettelijke grondslag vereist of kan worden volstaan met een beroep op de algemene en taakstellende bepalingen van (voorheen) art. 2 Politiewet 1993 – thans art. 3 Politiewet 2012 – in combinatie met de artt. 141 jo 142 Sv? Zie over deze problematiek Fokkens/Kirkels-Vrijman in: Politie in beeld, liber amicorum Jan Naeyé, Nijmegen 2009, p. 105.

In casu ging het om gewelddadige ongeregeldheden rond een voetbalwedstrijd te Utrecht waarbij met vuurwerk werd gegooid en door de politie waarschuwingsschoten zijn gelost, heftig dus. In dit geval had de politie beelden van verdachte supporters, afkomstig van bewakingscamera’s in het stadion, op internet gezet. In de strafzaak tegen de aldus opgespoorde verdachten voerde de verdediging als verweer dat het tonen van de beelden op internet onrechtmatig was, omdat er geen sprake was van een ‘beperkte’ inbreuk op de privacy, zodat ook niet met taakstellende bepalingen als wettelijke basis kon worden volstaan.

Het hof verwierp dit verweer, overwegende dat de algemene taakomschrijving van de politie als wettelijke grondslag wel toereikend was en dat het tonen van de beelden op internet niet in strijd was met de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit.

De Hoge Raad, het advies van A-G Vegter opvolgend, sluit zich in de welbekende apodictische stijl geheel aan bij de zienswijze van het hof, enkel overwegende dat de opvatting van het hof  juist is en niet onbegrijpelijk. Punt. Enige nadere uitleg – die ook weer procedures in de toekomst zou kunnen voorkomen – werd kennelijk niet nodig geacht, hoewel het hof niet eens iets had vastgesteld omtrent de gemaakte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, zodat zijn motivering in elk geval onvolledig was.

De aard van de gehanteerde digitale opsporingsmethode verdiende in cassatie meer aandacht. Immers, de Hoge Raad had zich over het via internet verspreiden van beelden in het kader van de opsporing nog niet eerder uitgelaten. Wel had de Raad de ‘gevoeligheid’ vastgesteld van in het stadion opgenomen camerabeelden (HR 23 maart 2010, BK6331). Zo ‘gevoelig’ dat het in de openbaarheid tonen daarvan niet meer kan worden beschouwd als een ‘beperkte’ inbreuk op de privacy?

Bovendien kan het verspreiden van die beelden via internet – vanwege het wereldwijde bereik en het permanente geheugen van dit medium – leiden tot een nog grotere inbreuk op de privacy dan het tonen op TV bijvoorbeeld, ook reeds een op zichzelf ernstige schending van de privacy.

De rechtspraak van de Hoge Raad laat nu de indruk achter dat de voorliggende kwestie adequaat zou zijn geregeld. Weliswaar bevat de OM-Aanwijzing opsporingsberichtgeving (Stct. 2013, 5114) een kader om een zorgvuldige belangenafweging (mate van ordeverstoring versus de mate van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer) te toetsen, terwijl ook de Wet politiegegevens een zekere basis biedt voor verstrekking van beelden door de politie, maar daarmee is niet alles gezegd.

Nu opsporing via TV en de sociale media steeds vaker wordt ingezet om verdachten op te sporen, is een nadere wettelijke regeling  wenselijk. De algemene taakstellende bepaling in de Politiewet is, naast de in de wet BOB geregelde gevallen, onvoldoende specifiek om te voldoen aan het legaliteitsvereiste van art. 1 Sv. Natuurlijk, niet alles kan bij wet worden geregeld, maar nu het gaat om een bekend en digitaal dus openbaar opsporingsmiddel dat in voorziene gevallen wordt aangewend, dient het van een solide wettelijke basis te worden voorzien, als daarbij grond- of mensenrechten serieus in het geding zijn. In dat verband hebben wij meer baat bij de Europese rechtsontwikkeling op basis van het EVRM (art. 8) dan bij de Nederlandse (behoudende) rechtspraak (zie in die zin Egbert Dommering, “Digitale grondrechten”, in De Gids 2014/2, p. 20).

De taakomschrijving van de politie kan alleen soelaas brengen in een beperkt aantal individualiseerbare, acute, gevaarzettende en niet voorspelbare situaties. Zij is niet geschikt als sleepnet voor de massale opsporing van ordeverstoorders die ook nog wat bij elkaar geraapte strafbare feiten plegen.

Als voetbalorganisaties zelf niet in staat zijn om de boel in de tang te houden, moet het strafrecht zich niet laten misbruiken.

 

T.M. Schalken