Wanneer is belediging van een politieambtenaar strafbaar, nu blijkt ‘dat horkerigheid als een charmant onderdeel van de Hollandse omgangscultuur wordt gezien”?

 

(annotatie T.M. Schalken bij Hoge Raad d.d. 26 november 2013 in Nederlandse Jurisprudentie, NJ 2014/121)

 

 

NOOT:

 

1. Een curieuze zaak. De casus is ongeveer als volgt. Twee politieambtenaren zien de hen bekende verdachte in een auto met een vreemd kenteken in Genemuiden rijden, waarna zij naar zijn woning toegaan. Via de tuin lopen zij naar de garage waar zij middels de half openstaande deur de betreffende auto zien staan. De verdachte wacht hen bij de garagedeur op en probeert de verbalisanten te beletten naar binnen te gaan, terwijl hij duidelijk maakt dat het zijn woning betreft en dat hij geen toestemming geeft om binnen te treden. Bovendien vraagt hij hen of ze voor het binnentreden een machtiging hebben (waarover zij niet beschikken). In de discussie hierover roept de verdachte meermalen onaardige teksten naar de dienders (“teringlijders”), in het bijzonder naar een van hen (“Je kunt niet eens jongen maken”). Deze laatste verbalisant doet terzake aangifte wegens belediging van een ambtenaar “in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” (art. 266 jo art. 267 sub 2 Sr).

Het hof stelt vast dat er van onrechtmatig binnentreden sprake was, omdat de garage een deel van de woning uitmaakte en de betreffende politieambtenaar zonder machtiging naar binnen was gegaan. Merkwaardig dat het hof zo beslist heeft, omdat het zelf twijfelde of er al dan niet van een woning sprake was (de garage zou los van het huis staan maar er wel mee verbonden zijn). ‘Zekerheidshalve’ gaat het hof er dan maar van uit dat de garage als onderdeel van de woning beschouwd diende te worden en dat de agenten daarom onrechtmatig (immers zonder machtiging) zijn binnengetreden. Is dat een fatsoenlijke redenering? Als het hof al twijfelt, waarom kunnen de agenten dat dan niet?

2. Nu het hof in eerste instantie de rechtmatigheid van het bewuste politieoptreden beoordeeld heeft in het kader van art. 359a Sv, constateert het dat er sprake was van een ‘onherstelbaar vormverzuim’, maar verbindt er verder geen consequentie aan (de enkele vaststelling volstaat). Waarom wordt er niet bij gezegd.

De werkelijke reden zou kunnen zijn – het is een kwestie van speculeren – dat de ernst van het onherstelbare verzuim gemitigeerd wordt door de geringe mate van verwijtbaarheid van de twee verbalisanten die, gezien de feitelijke situatie ter plekke (en de twijfel daarover), de garage niet zagen als deel van het woonhuis, wat de bewoner – die het niet eens was met het politieoptreden – ook moge hebben beweerd.

In die constellatie zou het vreemd zijn als de geringe verwijtbaarheid van de politieman in de zin van art. 359a Sv zou leiden tot onrechtmatigheid in de uitoefening van zijn bediening als bedoeld in het beledigingsartikel (art. 267 Sr). Dat zou een plausibele redenering kunnen zijn, temeer omdat de onrechtmatigheid in dat artikel geen noodzakelijke relatie hoeft te hebben met het via de toepassing van dwangmiddelen verzamelen van bewijs (HR 18 april 1978, NJ 1978/364, m.nt. Th.W. van Veen).

Een andere redenering is ook mogelijk. A-G Hofstee stelt zich – onder verwijzing naar ’s Raads arrest in NJ 2009/500 – op het standpunt dat een achteraf gebleken onrechtmatig afgegeven ambtelijk bevel (onvoldoende grond) niet afdoet aan de rechtmatigheid van de ambtelijke bediening. Nee, zegt de Hoge Raad nu, dat geldt niet voor een onbevoegd gegeven bevel (gelijk te stellen met de situatie waarin geen opdracht is gegeven door een ‘bevoegde meerdere’).

3. Het is twijfelachtig of het hier door de Hoge Raad gemaakte onderscheid tussen formele dan wel materiële onbevoegdheid relevant is voor het vaststellen van strafbare belediging. Daarvoor geldt immers als criterium de context waarbinnen de omstreden uitlating is gedaan (HR 22 december 2009, NJ 2010/671, ook in verband met de mate van openbaarheid, HR 22 november 2011, NJ 2012/44, m.nt. Schalken). Binnen die context kan de intentie waarmee de kwetsende woorden zijn gebezigd, bepalend zijn. En die intentie was hier – zoals het hof ook heeft vastgesteld – om de betrokken politieambtenaar – van wie bij de bewoner bekend was dat hij onvrijwillig kinderloos was – persoonlijk te kwetsen.

Daaraan doet niet af dat de politieman op dat moment meende dat hij voor het betreden van de garage geen machtiging nodig had. De rechtmatigheid van de bediening dient – in die zin ook A-G Hofstee – te worden beoordeeld naar het moment van de uitgeoefende politiefunctie. Het was op dat moment niet evident dat de politieman onrechtmatig bezig was, terwijl het zonder meer de bedoeling van de bewoner was de politieman zodanig te kwetsen dat zijn publieke functie volledig van het daarbij behorende gezag werd ontdaan. Dit wordt in beginsel niet anders als (pas achteraf) blijkt dat de agent niet volgens de letter van de wet heeft gehandeld.

4. Wat moet het Leeuwarder hof, waarnaar de zaak is verwezen, nu beslissen? De Hoge Raad laat het hof nog een zekere ruimte om te bekijken of het onbevoegde binnentreden in dit geval leidt tot een onrechtmatige uitoefening van de bediening en/of die onrechtmatigheid invloed heeft op de strafbaarheid van de belediging en vanaf welk moment. Bovendien zijn sommige omstandigheden nog niet opgehelderd. Was de betrokken brigadier wellicht hulpofficier van justitie? Was er sprake van een heterdaadsituatie?

Blijkens rechtspraak van de Hoge Raad kan de wijze waarop de bejegening door politieambtenaren plaatsvindt, mede de context bepalen waarbinnen belediging strafbaar is. Dat valt tenminste af te leiden uit het Mierenneuker-arrest (HR 17 december 2013, HR:2013:2002). In dat arrest rekende de Hoge Raad het een jongere (wiens scooter werd gecontroleerd) bepaald aan dat deze ‘geen enkele aanleiding kon menen te hebben voor kritiek op de bejegening door de politie’. Betekent dit dat, a contrario redenerend, sommige grensoverschrijdende uitlatingen niet strafbaar zouden zijn als de politie zichzelf ook niet correct gedraagt? En geldt dat dan ook in de casus te Genemuiden?

Sedert geruime tijd wordt het vrij normaal gevonden dat een politieambtenaar zich ten opzichte van burgers assertiever gedraagt, zich niet meer alles laat welgevallen, op grond waarvan hij zelfs meent zich in het strafproces te moeten voegen als benadeelde partij met een eis voor vergoeding van immateriële schade.

Met betrekking tot deze trend zijn inmiddels ook kritische geluiden te horen. Zie hierover P.J.J. van der Meij, ‘De beledigde en bedreigde politieagent als beroepsmatig benadeelde partij’, in M.S. Groenhuijsen e.a. (red), Roosachtig strafrecht, Kluwer 2013, p. 401. In deze bijdrage verdedigt de auteur de opvatting dat een voeging van een politieagent als benadeelde partij afbreuk doet aan diens motief om aangifte te doen en daarmee de bewijskracht vermindert van het ambtsedig proces-verbaal. Hij pleit ervoor die bijzondere bewijskracht af te schaffen en de vordering tot immateriële schadevergoeding categorisch af te wijzen.

Als het louter om belediging gaat, lijkt mij wel dat er een onderscheid gemaakt zou kunnen worden. Wanneer een opgewonden standje iets beledigends roept naar een anoniem uniform, is dat toch wat anders dan wanneer een publieke functionaris persoonlijk uit zijn uniform wordt gescholden.

Daar doet dan niet aan af dat horkerigheid tegenwoordig als een charmant onderdeel van de Nederlandse omgangscultuur wordt gezien.

 

T.M. Schalken