Korte beschouwing over beeldvorming in het recht en in de media naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad: “Negatieve beeldvorming in de media heeft de vluchtigheid van een mausoleum……..Zij verblindt en verslindt tegelijkertijd.”

 

(Annotatie van T.M. Schalken bij Hoge Raad de dato 15 oktober 2013, in Nederlandse Jurisprudentie, NJ 2014/145).

 

 

 

NOOT:

 

 

1. Toen een agent iemand wilde aanhouden wegens belediging van een ambtenaar in functie, ontstond er een opstootje waarbij drie mensen betrokken waren. Alle drie werden vervolgd. De beslissing daartoe werd genomen door een politieparketsecretaris  – een politieambtenaar die bevoegd is namens de officier van justitie in bepaalde eenvoudige zaken zelfstandig de vervolgingsbeslissing te nemen en tot dagvaarding over te gaan (art.126 RO).

Omdat de agent die aangifte wegens belediging had gedaan, een ‘directe collega’ was van de vervolgende politieparketsecretaris, meende de raadsman van een van de verdachten dat hier de schijn van vooringenomenheid was gewekt, op grond waarvan het OM niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard.

Het hof volgde de raadsman in dit betoog, overwegende dat door de uitoefening van de gemandateerde vervolgingsbevoegdheid in dit geval onvoldoende werd voorkomen dat een schijn van belangenverstrengeling werd gewekt, zodat het gebruik van die bevoegdheid hier in strijd werd geoordeeld met de beginselen van een behoorlijke procesorde.

2. Dat het hof tot dit oordeel kwam, is enigszins invoelbaar, maar juridisch onjuist, aldus ook de Hoge Raad in navolging van de conclusie van A-G Knigge. In de eerste plaats geldt voor een met een parketambtenaar gelijk te stellen politieparketsecretaris niet dezelfde eis van onpartijdigheid, zoals geformuleerd in art. 6 EVRM met betrekking tot de functie van onafhankelijk rechter.

In de tweede plaats maakt het hof niet duidelijk welk beginsel van een behoorlijke procesorde door de vervolgingsbeslissing geschonden zou zijn. En in de derde plaats geeft het hof niet aan op grond van welke feiten en omstandigheden de schijn van belangenverstrengeling zou zijn gewekt.

Want de verkeerde schijn kan weliswaar juridische consequenties hebben, maar die moet dan wel ‘objectief gerechtvaardigd’ zijn, dat wil zeggen ergens op gebaseerd zijn. Bijvoorbeeld: kenden de beide dienders elkaar, hoewel de aangever en de vervolgingsambtenaar niet in hetzelfde politieteam werkzaam waren? Hebben zij wellicht met elkaar over de zaak gesproken? In dat soort gevallen zou er reden kunnen zijn om een verkeerde indruk te krijgen, ook al hoeft niet bewezen te worden dat de vervolgingsbeslissing met oneigenlijke bedoelingen is genomen. Maar het enkele feit dat het formeel om twee collega’s ging is in elk geval onvoldoende om de verkeerd opgevatte schijn een juridische lading te geven waardoor het OM zijn vervolgingsrecht werd ontzegd.

3. Toch is het van belang dat publieke functionarissen op hun hoede zijn om de verkeerde schijn te vermijden. In het recht wordt dan weliswaar een verband gelegd tussen schijn en werkelijkheid, in de ongebreidelde mediawereld van het publieke domein, waar een verdachte indruk al gauw tot foutieve beeldvorming wordt opgepompt, gelden andere wetten. Wanneer dan de publiciteit als een valwind vat krijgt op het ontstaan van verkeerde beeldvorming, dan wordt de argeloos gewekte schijn al snel gepresenteerd als bewezen werkelijkheid. De speldeknop blijkt ineens een roestige spijker. Op dat moment helpt moedertje lief niet meer. De nuance is dan het eerste slachtoffer. Wie het betreft kan niet anders dan de negatieve beeldvorming ondergaan als in een niets ontziende wervelstorm die de vluchtigheid heeft van een mausoleum.

De kwestie is dat invloedrijke media in hun oordeel over publieke functionarissen niet meer de publieke moraal ter discussie stellen, maar slechts het belang dienen van het hongerige mediapubliek dat bloed ruikt en slechts uit is op ‘publieke vernedering’ (aldus NRC-columnist Bas Heijne), de nieuwe hobby in onze inquisitoire mediasamenleving (waar interviewers geen journalisten meer zijn, maar scherprechters).

In de wereld van justitie, een geliefde bron van infotainment, dreigt datzelfde risico van onbeheersbare beeldvorming, dat overigens door veel ‘moderne managers’ in de rechterlijke macht volkomen wordt onderschat. In een dreigende orgie van populisme, aangewakkerd door agressieve publiciteit, houdt geen waarheid zich staande.

4. Wat betekent dit alles voor een eenvoudige politieman die een OM-bevoegdheid heeft gekregen? Iedereen, vooral in een overheidsorganisatie, dient bij belangrijke beslissingen te anticiperen op mogelijk misbruik in het publieke domein – doordat journalisten er meteen een verdacht of verkeerd etiket op plakken.

Zo ware het beter geweest als het OM intern zou hebben afgesproken dat dienders in relatie tot elkaar geen bevoegdheden uitoefenen, zoals dat binnen de politie al gebeurt wanneer een dodelijk schot wordt onderzocht (dat geschiedt door een andere dienst, niet door directe collega’s).

Mediagevoeligheid wordt in de nieuwe opleiding van de rechterlijke macht terecht als een belangrijk onderdeel opgevoerd, hetgeen niet direct betekent dat invoering van camera’s in de rechtszaal een obsessief item zou moeten zijn. Het betekent wel beter inschatten wanneer misleidende beeldvorming kan ontstaan.

Beeldvorming is een sluipmoordenaar, hij slaat toe maar je weet niet wanneer. Want beeldvorming, eenmaal tot oncontroleerbare proportie uitgegroeid, verblindt en verslindt tegelijkertijd.