(Annotatie T.M. Schalken bij Rechtbank Gelderland, zp Zutphen, 22 oktober 2013, Gezondheidsrecht Jurisprudentie 2013, afl. 8, <GJ> 2013/148)

 

 

Noot:

 

De zaak-Heringa heeft de discussie over hulp bij zelfdoding – in de moeizame ontwikkeling naar meer zelfbeschikking –  weer op scherp gezet. Albert Heringa – hij trad zelf met een documentaire in de publiciteit – hielp zijn 99-jarige moeder, die absoluut geen 100 meer wilde worden en ‘klaar met het leven’ was, aan een zachte en zelfgewilde dood met behulp van gespaarde pillen. De filmbeelden lieten zien dat de hoogbejaarde vrouw in volle bewustzijn de pillen tot zich nam. Na de tv-vertoning van die beelden ontstond er vrij brede sympathie voor de zoon die meende uit genegenheid de laatste wens van zijn moeder niet te mogen negeren.

Het Openbaar Ministerie (OM) dacht er toch anders over. Hulp bij zelfdoding door een niet-arts is nog steeds strafbaar (art. 294 lid 2 Wetboek van Strafrecht, Sr), terwijl ook naar heersende opvattingen – zowel op juridisch als politiek niveau – de beslissing tot beëindiging van het leven aan de medische stand is en blijft voorbehouden.

De druk om de wetgeving op dit punt te veranderen neemt toe. De Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE) voerde actie rond het strafproces in Zutphen om daarmee haar Manifest 294 – waarin kabinet en parlement worden opgeroepen om hulp bij zelfdoding door niet-artsen te legaliseren – kracht bij te zetten. “Hulp is geen misdaad”, luidde het motto van de demonstratie (zie hierover nader Relevant, 2013/4, p. 2).

Natuurlijk, hulp als daad van barmhartigheid is nooit een misdaad. De vraag is alleen door wie die hulp verleend moet worden, nu het om de beëindiging van menselijk leven gaat, het hoogste grond- en verdragsrechtelijk beschermde rechtsgoed dat wij kennen. Aan de andere kant is het dilemma wel erg menselijk: “Om geboren te worden heb ik niet gevraagd, zelfs over het einde van het leven heb ik niets te vertellen”.

2. De normering in het recht gaat nooit over een individueel geval waarvan achteraf kan worden vastgesteld dat het moreel verantwoord was en maatschappelijke gedragen werd. De norm in het recht is altijd algemeen van strekking en in abstracto geformuleerd, in eerste instantie bedoeld om het rechtsgoed tegen misbruik te beschermen, zeker in het strafrecht. Dat er gevallen zijn waarvan in concreto kan worden gezegd dat er van misbruik geen sprake is geweest, doet aan de geldigheid van de norm niet af.

De algemene norm zoals die na uitvoerige parlementaire discussie in de wet is vastgelegd, houdt in dat op basis van een zachte vorm van zelfbeschikking (op verzoek, vrijwillig en weloverwogen) hulp bij zelfdoding straffeloos kan geschieden, indien die hulp medisch wordt begeleid met inachtneming van voorgeschreven procedurele en materiële vereisten en daarover achteraf verantwoording wordt afgelegd, artt. 294 lid 2 jo. 293 lid 2 Sr (zie over de totstandkoming en de ratio van de wet E. Pans, De grondslagen van het Nederlandse euthanasierecht, Nijmegen 2006).

Tijdens zijn proces deed Heringa een beroep op overmacht, zowel in objectieve als in subjectieve zin. Bij geobjectiveerde overmacht gaat het om noodtoestand die is gemunt in het dwingende concept van conflicterende plichten: de plicht het leven te behouden versus de plicht om het ondraaglijk en uitzichtloos lijden te verlichten. Volgens de Hoge Raad moet het conflict van plichten waarvoor de arts zich gesteld ziet, in dat perspectief worden gezien (vgl. Brongersma-arrest, HR 24 december 2002, NJ 2003/167 met noot Schalken, tevens in TvGR 2003/3, p. 226).

In die situatie moeten de omstandigheden dermate klemmend zijn dat de arts zich genoodzaakt ziet voor het zwaarst wegende belang te kiezen, namelijk het verlichten van het lijden, ook als dat de dood tot gevolg heeft. In deze formulering is de dood niet het primaire doel, maar een neveneffect van de pijnverlichting.

Als deze eis voor de arts geldt, is die zeker op de niet-arts van toepassing, zij het dat strafuitsluiting in dat geval gebaseerd wordt op een vorm van noodtoestand uit het commune strafrecht. Dat betekent dat degene die als niet-arts hulp bij zelfdoding verleent, zich alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden op strafuitsluiting kan beroepen, zoals de rechtbank ook overwoog, nadat hij eerst redelijke alternatieven heeft benut om uit zijn conflict van plichten te geraken.

Bij de keuze van die alternatieven is niet de persoonlijke overtuiging van de hulpverlener doorslaggevend, maar de zorgvuldigheid die is betracht in de aanloop naar de zelfverkozen dood. Juist op dat punt is Heringa – naar het oordeel van de rechtbank – tekortgeschoten. Hij heeft niet willen wachten op de uiteindelijke medewerking van de huisarts – die terughoudend maar niet onwelwillend reageerde, zij had slechts twijfels over de duidelijkheid van de doodswens – hij heeft evenmin een tweede arts geconsulteerd, hij heeft zelf samen met zijn moeder pillen verzameld waaraan geen medisch deskundige te pas is gekomen, en hij koos niet voor een methode van palliatieve zorg, het versterven in slapende toestand waardoor ook de dood zou zijn ingetreden (omdat zij dat niet wilde). Overigens, zelfs als de huisarts pertinent had geweigerd, zou dat voor Heringa nog geen noodtoestand in het leven hebben geroepen, omdat hij een andere arts had kunnen raadplegen (vgl. Hof Arnhem, 17 februari 2012, NJ 2012/509 met noot Schalken).

Ook het beroep op subjectieve overmacht, de persoonlijke psychische variant, werd door de rechtbank niet gehonoreerd, omdat de genegenheid van Heringa voor zijn moeder niet kon worden aangemerkt als ‘een van buiten komende drang waaraan hij geen weerstand kon bieden’. De rechtbank nam eerder aan dat Heringa zich door zijn innerlijke overtuiging heeft laten leiden – hij is als NVVE-lid tegenstander van het wettelijk verbod voor niet-artsen – en dat hij welbewust ervoor gekozen had de geldende regelgeving niet in acht te nemen. Heringa werd dan ook schuldig verklaard, zij het zonder oplegging van straf of maatregel (toepassing van het zgn. rechterlijk pardon)[1].

Gelet op de ernstige lichamelijke gebreken van de hoogbejaarde vrouw – die ongetwijfeld haar onvermogen tot zingeving zullen hebben beïnvloed –  zou de hulp bij de door haar gewenste dood, maar dan met meer geduld en meer zorgvuldigheid, juridisch wellicht anders zijn beoordeeld. In die zin zijn ‘overtuigingsdaders’ niet altijd effectief, omdat zij doorgaans hun eigen overtuiging stellen boven de haalbaarheid van de zaak.

3. In welke richting beweegt zich de maatschappelijke discussie over euthanasie en hulp bij zelfdoding? Aan de ene kant neemt de maatschappelijke druk toe om het zelfbeschikkingsrecht sterker dan nu in beleid en wetgeving te accentueren, aan de andere kant neemt de juridische druk om die wens te honoreren – gelet op de komst van redelijke alternatieven zoals palliatieve sedatie – juist af.

Het kan de discussie helpen als er een onderscheid wordt gemaakt tussen de morele legitimiteit van de beslissing tot levensbeëindiging en de medische legitimiteit van de uitvoering van die beslissing. Tussen beide posities kunnen verschuivingen optreden in accenten ten aanzien van de zelfbeschikking, maar één ding lijkt onwrikbaar: er zal altijd, linksom of rechtsom, een deskundige nodig zijn die in het proces betrokken dient te worden teneinde de vereiste zorgvuldigheid te waarborgen. Het verbaast dan ook niet dat de dokter door ouderen in meerderheid als de meest aangewezen deskundige wordt genoemd (vgl. F. Defesche, Voltooid leven in Nederland, Assen 2011). Laten sterven is niet alleen een kunst, maar ook een vak.

 

 

**********************************

 

 

 

 

 

 



[1] Deze beslissing werd door de rechtbank gemotiveerd met verwijzing naar de (nobele) motieven van Heringa in combinatie met de lange duur van de strafprocedure (door het interne overleg binnen het OM was de redelijke termijn overschreden). Intussen heeft het OM, dat drie maanden voorwaardelijke gevangenisstraf had geëist, tegen de uitspraak hoger beroep ingesteld.