NVSA-congres Maastricht 12-13 dec. 2014

 

(definitieve versie verschijnt in Strafblad 2015/1)

 

 

Rosa Boon[1] en Tom Schalken[2]

 

 

 

Draagt rechterlijke ongehoorzaamheid bij aan de rechtsontwikkeling?[3]

 

1. Inleiding

 

Eerste vraag: is er sprake van ‘rechterlijke ongehoorzaamheid’ en, zo ja, in hoeverre draagt die bij aan ‘de rechtsontwikkeling’?

 

Antwoord: ja, er is wel degelijk sprake van ‘rechterlijke ongehoorzaamheid’ en ja, die draagt wel degelijk bij aan de rechtsontwikkeling, maar niet in de richting zoals de Hoge Raad dat graag zou zien.

 

Dat behoeft natuurlijk enige uitleg. Om een en ander goed voor het voetlicht te krijgen hebben wij onderzoek gedaan in recente jurisprudentie, vanaf de invoering van art. 80a RO (selectie aan de poort) d.d. 1 juli 2012 en met inbegrip van het nieuwe, tweede standaardarrest van de Hoge Raad over bewijsuitsluiting d.d. 13 februari 2013,[4] in een periode van plm. 2,5 jaar, ongeveer 80 uitspraken, gepubliceerd en niet-gepubliceerd.

 

Op basis van onze analyse hebben we geen statistisch verantwoorde conclusies kunnen trekken, daarvoor zijn de verschillen in de casus en de daarbij passende rechtsvragen te groot. Wel hebben wij op basis van onze observaties een bepaalde indruk gekregen hoe de Hoge Raad met vormverweren omgaat. Kunnen wij in algemene termen daar iets over zeggen? Hoe vaak casseert de Hoge Raad in het voor- of nadeel van de verdediging en hoe ligt dat in verhouding tot het OM dat in cassatie gaat?

 

2. Enkele conclusies

 

Het gaat dus om het signaleren van een bepaalde trend (met allerlei slagen om de arm):

 

  1. Op zichzelf belangrijk: na de invoering van art. 80a RO (direct aan de poort afwijzen), werd dit artikel niet of nauwelijks gebruikt door de Hoge Raad bij de beantwoording van vormverweren[5] (op onderdelen werd soms wel zonder motivering via art. 81 RO afgedaan, maar dan heeft de Hoge Raad er in elk geval inhoudelijk naar gekeken).
  2. Als het OM met een klacht over bewijsuitsluiting in cassatie gaat krijgt het in ongeveer de helft van de gevallen gelijk (althans de Hoge Raad casseert dan).[6] Voor de verdediging blijkt dat een heel lastige exercitie. In de gevallen waarin de verdediging succes heeft met haar klacht in cassatie over niet toegepaste bewijsuitsluiting, gaat het vaak om voorspelbare zaken, d.w.z. om zaken waarin de Hoge Raad eerder heeft aangegeven dat bewijsuitsluiting moet volgen.[7] Als voorbeeld diene schending van het consultatierecht, de Salduz-norm, het recht om voorafgaande aan het eerste politieverhoor een advocaat te raadplegen.[8] De Hoge Raad is hier heel strikt: heeft ten onrechte geen consultatie plaatsgevonden, dan kan een afgelegde belastende verklaring door de verdachte niet als bewijs tegen hem worden gebruikt. En afstand van dit consultatierecht door de verdachte accepteert de Hoge Raad niet snel.

 

  1. Dit beeld verschuift zodra het gaat om de niet-ontvankelijkheid van het OM op basis van de buitenwettelijke beginselen van een behoorlijke procesorde. Verreweg in de meeste gevallen haalt de verdediging de cassatiedrempel niet, hoewel het ontvankelijkheidsverweer aanzienlijk vaker wordt gevoerd dan het verweer inzake bewijsuitsluiting. Het geringe succes komt vooral omdat de Hoge Raad de lat erg hoog legt. Bij het zogenaamde Zwolsman-criterium immers dient de verdediging aan te tonen dat het OM (of de politie) ‘doelbewust of op grove wijze’ haar heeft benadeeld tijdens de opsporing in het vooronderzoek waardoor er van een eerlijk proces geen sprake meer kan zijn. Het bewijs daarvan krijgt de verdediging nauwelijks rond, althans volgens de meetlat van de Hoge Raad. Het verbaast dan ook niet dat het OM in dat opzicht bij de Hoge Raad vaker in het gelijk wordt gesteld dan de verdediging.[9]
  2. Daarnaast doet de verdediging steeds vaker een beroep op niet-ontvankelijkheid van het OM in die gevallen waarin de beslissing om te vervolgen in strijd komt met de beginselen van een behoorlijke procesorde (waarvoor het zware Zwolsman-criterium niet geldt), zoals het beginsel van een redelijke en billijke afweging van belangen, het gelijkheidsbeginsel, het verbod van willekeur, het vertrouwensbeginsel, het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel. Hoewel de Hoge Raad ook hier niet erg scheutig is in het honoreren van een beroep op deze beginselen, heeft een klacht vooral kans van slagen als duidelijk is dat het OM heeft gehandeld in strijd met de eigen Richtlijnen of Aanwijzingen (in die situatie is tenminste het vertrouwensbeginsel in het geding),[10] maar ook in strijd met het eigen in de praktijk gevoerde beleid (zoals bij strafvervolging van een vluchteling tijdens een nog lopende asielprocedure; dan is de redelijkheid van de beslissing in het geding).[11] Zodra evenwel door honorering van het verweer het terrein van de beleidsvrijheid van het OM wordt betreden, zoals bij de vervolging van flutzaken of in geval van het coffeeshopbeleid, dan is de Hoge Raad buitengewoon terughoudend.[12]

 

 

3. De ongehoorzame rechter : kritiek op het vervolgingsbeleid

 

Uit ons onderzoek blijkt dat de lagere rechter veel vaker dan de Hoge Raad bereid is het OM-beleid te toetsen aan deze, vaak mede op het EVRM gebaseerde behoorlijkheidsbeginselen met als consequentie dat het OM ook daadwerkelijk zijn vervolgingsrecht wordt ontzegd.

 

Enkele uitspraken uit een ruime selectie van de afgelopen drie jaar:

 

–       Strijd met de eis van een spoedige berechting (binnen een redelijke termijn); De Hoge Raad is duidelijk: dit kan niet tot de niet-ontvankelijkheid leiden van het OM.[13] Toch doet de lagere rechter dat wel: Rechtbank Amsterdam oordeelde dat het OM door tijdsverloop van 21 maanden inmiddels geen belang meer had bij strafvervolging op basis van de Leerplichtwet 1969.[14] Rechtbank Noord-Nederland oordeelde tot de niet-ontvankelijkheid van het OM vanwege het tijdsverloop van 4 jaar plus het opgewekte vertrouwen dat er geen zaak meer was,[15] terwijl de Rechtbank Midden-Nederland behalve overschrijding van de redelijke termijn aannam dat het OM “van meet af aan zeer traag en onzorgvuldig jegens verdachte en de verdediging heeft opgetreden, ondanks het vreemdelingrechtelijke belang dat de verdachte heeft bij een spoedige behandeling, hetgeen ook bij het OM bekend was”.[16] Verder werd de niet-ontvankelijkheid uitgesproken na een termijn van meer dan 11 jaar,[17] meer dan 7 jaar,[18] 6,5 jaar[19] en 5 jaar,[20] tevens na een termijn van 3 jaar waarbij het een ongewenste vreemdeling betrof,[21] en in zaken waarbij de verdachte minderjarig was waarbij de redelijke termijn van 16 maanden met 14[22] en 12 maanden was verstreken.[23] Het tijdsverloop kan ook in ontnemingszaken een rol spelen, wanneer bijv. de mogelijkheden voor een adequate verdediging zijn verminderd.[24]

–       Strijd met het gelijkheidsbeginsel, de Hoge Raad oordeelde in februari 2014 het vervolgen van sommige Somalische zeerovers, anders dan de lagere rechter, niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel.[25] Het Gerecht Eerste Aanleg op St. Maarten oordeelde het tijdens een verkiezingscampagne enerzijds vervolgen van ‘stemmenverkopers’ maar anderzijds niet de politieke partij als ‘stemmenopkoper’ in strijd met het gelijkheidsbeginsel en in strijd met het verbod van willekeur.[26] In 2010 oordeelde de Rechtbank Roermond het vervolgen van de ene hennepkwekerij en niet de andere op dezelfde dag ontmantelde hennepkwekerij eveneens in strijd met het gelijkheidsbeginsel.[27]

–       In strijd met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging, zo oordeelde Rechtbank Den Bosch, door een ruzie over een hond tijdens een boswandeling voor de strafrechter te brengen.[28] Zo ook het Gerechtshof Arnhem, door een suïcidaal meisje van 16 jaar dat langs het spoor liep, te vervolgen wegens overtreding van de Spoorwegwet.[29]

–       In strijd met een goede procesorde, aldus Rechtbank Limburg, doordat het OM weigerde bepaalde opdrachten van de rechtbank uit te voeren, met betrekking tot het voegen van stukken in het dossier.[30] Ook Rechtbank Gelderland, vanwege het bewust onthouden van processtukken en het te laat vernietigen van geheimhoudersgesprekken.[31] Rechtbank Overijssel (dossier zo slecht samengesteld dat een vervolging als een schoffering van de verdachte werd aangemerkt)[32]. En de Rechtbank Groningen/Noord-Nederland (ondanks een redelijk verdedigingsbelang weigerde OM de informant bij de start van het onderzoek als bedreigde getuige te laten horen).[33]

–       In strijd met het vertrouwensbeginsel, de Hoge Raad wilde er met betrekking tot het coffeeshopbeleid in 2013 nog steeds niet aan,[34] waarna twee rechtbanken, Rechtbank Noord-Nederland[35] en Rechtbank Amsterdam,[36] de coffeeshophouder wel schuldig verklaarden, maar geen straf oplegden.

–       In strijd met zorgvuldig politieonderzoek en vanwege onprofessioneel optreden OM, aldus Rechtbank Noord-Holland, op basis van ernstige gebreken in het onderzoek, het ontbreken van professionaliteit en het onjuist verschaffen van informatie aan de Verenigde Staten is er sprake van ‘zeer onzorgvuldig’ handelen (door de opeenstapeling van fouten is er ernstig te kort gedaan aan het recht van verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak).[37]

–       Het ontbreken van een vervolgingsbelang of een redelijk doel wordt ook nogal eens aangevoerd als zelfstandige grond om het OM niet ontvankelijk te verklaren, bijv. wanneer het OM steeds maar weer de verdachte op het verkeerde adres oproept,[38] maar ook bij de beoordeling van de vervolgingsopportuniteit inzake het coffeeshopbeleid.[39]

 

 

4. De disciplinerende cassatiemodus van de Hoge Raad

 

 

In hoeverre is deze rechterlijke ongehoorzaamheid van invloed op de rechtsontwikkeling, die de laatste tijd op het terrein van het strafprocesrecht nogal nadrukkelijk door de Hoge Raad wordt gepropageerd, meer nog dan de kwestie van de rechtsbescherming?[40] Tegenwoordig is de slogan ‘rechtsbescherming door rechtsontwikkeling’ het nieuwe logo van de Hoge Raad.[41]

 

In theorie klinkt het allemaal prachtig. In de onlangs verschenen achtste druk van het handboek van Corstens & Borgers staat het mooi geformuleerd: “De gehoorzaamheid van lagere rechters aan de Hoge Raad moet niet dermate groot zijn dat zij, geconfronteerd met een nieuw verschijnsel, slechts proberen een oplossing te zoeken die past in de bestaande rechtspraak. Soms kan het nodig zijn een geheel nieuwe oplossing te zoeken en de bakens te verzetten. Dan moet de lagere rechter niet schromen dit te doen en dit niet achterwege laten uit vrees voor cassatie. Het scheppend vermogen van de rechter kan tot ‘ongehoorzaamheid’ leiden.”[42]

 

De logische vervolgvraag is dan: hoeveel ruimte biedt de Hoge Raad zelf aan de lagere rechter om diens scheppend vermogen tot ontplooiing te brengen? Rechtsontwikkeling is vanzelfsprekend geen eenzijdig proces dat door de Hoge Raad aan de rechters, die tot hun knieën in het grondwater staan, wordt opgelegd.

 

Wanneer we echter de rechtspraak van de twee laatste decennia overzien – zeg maar vanaf de parlementaire enquête-Van Traa en de daarop gebaseerde nieuwe wetgeving[43] – dan zien we weliswaar allerlei ontwikkelingen die bij de Hoge Raad tot belangrijke veranderingen op strafvorderlijk vlak hebben geleid. Die aanpassingen zijn echter niet tot stand gekomen onder invloed van de lagere rechtspraak, maar onder druk van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

 

In de richting van de lagere rechtspraak ziet het beeld er totaal anders uit. Art. 359a Sv., met zijn open rechtsnormen, nodigde, ook naar de bedoeling van de wetgever, uit tot creatieve toepassing indien strafvorderlijke normen in de praktijk niet worden nageleefd. Maar het bouwwerk van art. 359a Sv. met zijn open ramen is door de Hoge Raad door de jaren heen – je zou bijna zeggen ‘doelbewust’ – dichtgetimmerd. Op grond van rechtspraak van de Hoge Raad vertoont art. 359a Sv. gelijkenis met een zandloper in de vorm van een trechter die langzaam maar onafwendbaar leegloopt. Veel ruimte voor rechterlijke creativiteit is er niet meer.

 

Wie al heel lang arresten van de Hoge Raad leest kan zich moeilijk aan de indruk onttrekken dat zij steeds meer een – sorry voor de term – ‘disciplinerend’ karakter hebben gekregen. Door de stijl in de cassatierechtspraak – het is ja of nee, soms met een summiere toelichting – lijkt de Hoge Raad de lagere rechtspraak te beschouwen als een kruiwagen vol sprinkhanen die de vrijheid niet aankunnen. Waarom? Uit angst voor teveel rechtsongelijkheid? Maar wie is er bang voor rechtsdiversiteit?

 

 

5. De Hoge Raad is steeds meer ‘politiek correct’

 

De  werkelijke reden ligt in de vrees dat de in het geding zijnde belangen niet steeds op dezelfde manier worden behartigd als door de Hoge Raad wordt gewenst. Röttgering noemt de Hoge Raad “gouvernementeel en instrumenteel georiënteerd”:[44] de rechtspraak wordt benut om bepaalde rechtspolitieke doeleinden via het strafrecht – desnoods buiten de wetgever om – te formuleren, waarbij de overheid (politie en OM) veel vrijheid wordt gegund om die vervolgens in de praktijk te realiseren. Het is onmiskenbaar dat de Hoge Raad de laatste jaren steeds meer het belang van misdaadbestrijding laat prevaleren boven het belang van een goede rechtsbescherming, niet alleen van verdachten, maar ook van gewone burgers die achteraf blijken ten onrechte te zijn gearresteerd en opgesloten (dat zijn er vele duizenden per jaar).

 

Wij denken dat, ondanks alle goede intenties bij toepassing van de doel-middel benadering, zoals uiteengezet door Kuiper,[45] deze methode uiteindelijk toch weer door de Hoge Raad zal worden gebruikt om de vrijheid van de strafrechter in te perken. De idee is goed, rechters moeten beter uitleggen waarom zij een vormverzuim afstraffen, met welk doel. Maar in het Examen-arrest[46] heeft de Hoge Raad reeds een voorproefje laten zien hoe de lagere rechter met die benadering moet omgaan.

 

Er is al lange tijd discussie over de vraag of het tot de taak van de strafrechter behoort om de politie tijdens de opsporing in het gareel te houden (‘policing the police’). De Hoge Raad erkent dat dit een doelstelling kan zijn, maar formuleert het niet als een van de mogelijke doeleinden, als een volgende fase in de rechtsontwikkeling, maar als een waarschuwing: mocht u, rechter, het in uw hoofd halen om het optreden van de politie preventief te controleren of repressief af te straffen, weet dan aan welke eisen u moet voldoen. Die eisen zijn van dien aard, dat die rechter zich wel tweemaal bedenkt vooraleer hij aan een dergelijke opgave begint.[47]

 

Bovendien is het niet de rechter, maar in de eerste plaats het OM als gezag over de opsporing, dat de politie in de gaten moet houden en ervoor moet zorgen dat zij zich aan de wet houdt. Probleem is nu dat de Hoge Raad buitengewoon coulant is als de politie in de fout gaat. Daarnaast ziet de Hoge Raad diverse gebreken in het toezicht van het OM op de politie door de vingers.[48] Wij noemen een paar voorbeelden.

 

–       Belangrijk is dat de Hoge Raad steeds benadrukt dat de politie alle opsporingshandelingen in een proces-verbaal vastlegt zodat de zittingsrechter kan controleren of het onderzoek volgens de regels verlopen is. Maar als de politie dat niet of in strijd met de waarheid doet, wordt dat vaak met de mantel der liefde bedekt. Hoe kun je dan controleren of het goed is gegaan?[49]

–       Als de politie telefonische geheimhoudergesprekken tussen een verdachte en zijn advocaat niet heeft vernietigd, is dat jammer, maar het zij zo;[50]

–       Als de rechter vond dat er ‘geen verdenking’ dan wel ‘geen ernstige bezwaren’ tegen een verdachte aanwezig waren, zegt de Hoge Raad simpelweg op grond van eigen dossieronderzoek – alsof er nooit een papieren muur heeft bestaan – dat er volgens de politie en het OM wel voldoende aanwijzingen voorhanden waren om de omstreden dwangmiddelen (zoals een doorzoeking of een fouillering) toch toe te passen. Ook op dit punt bestaat er een duidelijk verschil tussen de lijn van de Hoge Raad en de lagere rechter;[51]

–       De Hoge Raad laat toe dat het OM bepaalde vormverzuimen of de ernst van een vormverzuim ‘kleineert’ om zodoende aan sanctionering te ontsnappen (wezenlijke vormvoorschriften blijken ineens van ‘administratieve’ aard);[52]

–       Politieel wangedrag wordt zoveel mogelijk buiten de strafzaak gehouden (men denke aan politiegeweld bij de aanhouding);[53]

–       Zelfs als het OM ‘ernstig in gebreke is gebleven’ bij het toezicht op de politie en de naleving van een verhoorprotocol, blijft dat zonder consequentie;[54]

–       Het ergste excuus is de goede trouw. Ernstige dingen gingen fout, maar de politie ‘bedoelde het toch goed’ en ‘het OM is toch integer’.[55] Ja, stel je voor dat dit niet zo was!

–       Samenvattend: de Hoge Raad werpt diverse barrières op bij het motiveren van de rechterlijke beslissing om tot sanctionering van een of meer vormverzuimen over te gaan (bijv. het afwegen van op het spel staande belangen, het te verwachten effect van de op te leggen sanctie, de inspanningen die het OM zich heeft getroost om wangedrag bij de politie te voorkomen).[56]

 

 

6. De structuur in strafvordering wankelt

 

 

En daarmee is nog niet alles gezegd. Er zijn door de Hoge Raad als gevolg van eigen rechtspraak nog genoeg vragen die beantwoord moeten worden, zeker als het om de doel-middel benadering gaat. Zijn er nog andere doelstellingen (dan het bevorderen van een eerlijk proces c.q. het corrigeren van een verkeerde politiepraktijk)? Gelden die ook voor andere sancties dan bewijsuitsluiting (niet-ontvankelijkheid OM, strafvermindering)? Wat moet de strafrechter allemaal motiveren en onderbouwen als hij belangen afweegt?

 

Het is maar helemaal de vraag of de Hoge Raad normconformiteit in de opsporing en vervolging als doelstelling zal aanvaarden, als hij eerder met zoveel woorden heeft gezegd dat ‘het bij politie en OM laten doordringen van de ernst van de situatie onvoldoende grond oplevert voor niet-ontvankelijkheid van het OM’.[57] Ook een belangrijke doelstelling als ‘beheersbaarheid en controleerbaarheid van de opsporing’ en ‘het waarborgen van de integriteit van het strafproces’ gelden voor de Hoge Raad niet meer als zelfstandige toetsingscriteria.[58]

 

Het ontbreken van dit soort criteria als beslissende maatstaf laat weinig ruimte voor ‘zelfscheppende’ uitspraken, waardoor het toetsingskader dat de Hoge Raad voor ogen staat, dwingend, op straffe van cassatie, aan de lagere rechter wordt opgelegd. Dat gaat zelfs zover dat strafrechters die in een concreet geval oordeelden nog voordat de Hoge Raad een toepasselijk toetsingskader had geformuleerd, hun uitspraak in het licht daarvan opnieuw moesten bekijken[59]. De zaak wordt gewoon teruggestuurd, van enige coulance via het overgangsrecht blijkt niet. Overtuigender bewijs met betrekking tot de disciplinerende cassatiemodus van de Hoge Raad is er haast niet.

 

De grondige conclusies van advocaten-generaal en creatieve argumentaties in cassatieschrifturen dragen meer dan de arresten van de Hoge Raad bij aan een dynamische rechtsontwikkeling. De bijdrage van de Hoge Raad beperkt zich, als ware hij een veilingmeester, tot de simpele vaststelling van de norm, niet tot de ontwikkeling ervan. Daarvan kan nu worden gezegd: het is goed dat de Hoge Raad rekening houdt met gevoelens in de samenleving, maar het angstvallig vermijden van sancties voor politie en OM wegens ernstige onregelmatigheden is nu te ver doorgeschoten. Daarbij wordt in de publieke arena gemakshalve vergeten dat het ook een algemeen en maatschappelijk belang is dat wij over een integer en fatsoenlijk rechtssysteem beschikken.

 

Alles overziende moet worden geconcludeerd dat de Hoge Raad met zijn dirigistische en politiek correcte aanpak van de vormverzuimproblematiek niet alleen bezig is de open ramen in het bouwwerk van art. 359a Sv. aardig dicht te timmeren, maar daarmee ook de structuur van de hele constructie aantast.[60] Immers, als de Hoge Raad niet kritisch is op het OM en toelaat dat het OM niet kritisch is op de politie, welke garantie kan de strafrechter dan nog bieden dat opsporing en vervolging fatsoenlijk verlopen?[61]

 

 

 

 

 

*******************

 

 

 



[1] Advocaat bij Van der Weide Advocaten te Amsterdam.

[2] Emeritus hoogleraar strafrecht VU te Amsterdam.

[3] Deze bijdrage, die per 1 december 2014 werd afgesloten, is gebaseerd op een voordracht die tijdens het NVSA-congres te Maastricht in december 2014 door de auteurs werd gehouden.

[4] HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308 m.nt. B.F. Keulen (Examen-arrest).

[5] Anders: HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:648, NJ 2014/148 m.nt. T.M. Schalken (noot onder nr. 147).

[6] Zaken waarin de HR oordeelde ten faveure van het OM (casseerde i.g.v. gehonoreerd beroep op bewijsuitsluiting, dan wel niet-casseerde i.g.v. verworpen beroep op bewijsuitsluiting) zijn o.m.: HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1800, RvdW 2012/1028; HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7438, NJ 2013/175 m.nt. F.W. Bleichrodt; HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY5315, NJ 2013/355 m.nt. M.J. Borgers; HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308 m.nt. B.F. Keulen (Examen-arrest); HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5322, RvdW 2013/366; HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2012:BX4439, NJ 2013/309 m.nt. B.F. Keulen; HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2555, NJ 2013/346; HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1153, NJ 2014/54; HR 7 januari 2014, NJ 2014/105 m.nt. M.J. Borgers (onder nr. 106); HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:144, NJ 2014/106 m.nt. M.J. Borgers; HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:642, NJ 2014/189; HR 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1451, NJ 2014/341; HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2650.

[7] Enkele zaken waarin de HR casseerde m.b.t. een beroep op bewijsuitsluiting ten faveure van de verdediging: HR 16 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5706, NJ 2013/310 m.nt. B.F. Keulen (verzuim cautie); HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:955, NJ 2014/146 m.nt. T.M. Schalken (optillen rok).

[8] Zie o.m.: HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9264, NJ 2013/513 m.n.t. J.M. Reijntjes; HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9961, NJ 2013/514 m.nt. J.M. Reijntjes; HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5109, RvdW 2012/1254; HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5111, RvdW 2012/1256; HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7892, RvdW 2013/212.

[9] Zaken waarin de Hoge Raad oordeelde ten faveure van het OM (casseerde i.g.v. gehonoreerd beroep op niet-ontvankelijkverklaring, dan wel niet-casseerde i.g.v. verworpen beroep op niet-ontvankelijkverklaring) zijn o.m.: HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT2105, NJ 2012/450 m.nt. T.M. Schalken; HR 13 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9338, NJ 2013/413; HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4828, NJ 2013/130; HR 16 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7150, NJ 2013/248; HR 28 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0796, NJ 2013/405 m.nt. T.M. Schalken; HR 17 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9992, NJ 2014/91 (Putten II), m.nt. T.M. Schalken; HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:947, NJ 2014/145 (Politieparketsecretaris) m.nt. T.M. Schalken; HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:477, NJ 2014/352; HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:637, NJB 2014/739; HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:639, NJ 2014/190.

[10] Zie bijv.: HR 3 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3452, NJ 2012/346 m.nt. J.M. Reijntjes; HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4991, NJ 2012/642.

[11] Zie bijv.: HR 21 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY3151, NBSTRAF 2013/218; HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1561, NJ 2014/44. Tevens m.nt. T.M. Schalken bij NJ 2011/242.

[12] Zie bijv.: HR 6 november 2012, BX4280, NJ 2013/109 m.nt. T.M. Schalken; Anders bijv.: HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:15, NJ 2014/122 m.nt. J.M. Reijntjes.

[13] HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. P.A.M. Mevis.

[14] Rechtbank Amsterdam, 7 november 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:8048, NJFS 2014/56.

[15] Rechtbank Noord-Holland, 30 januari 2014, NJFS 2014/106.

[16] Rechtbank Midden-Nederland, 1 juli 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:3909.

[17] Rechtbank Amsterdam, 5 april 2012, NJFS 2012/172.

[18] Rechtbank Breda, 21 maart 2012, NJFS 2012/136, BV9618.

[19] Rechtbank Midden-Nederland, 28 februari 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:1025.

[20] Rechtbank Amsterdam, 13 maart 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:1218. Tevens: Rechtbank Amsterdam, 13 maart 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:1219.

[21] Rechtbank Midden-Nederland, 1 juli 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:3909.

[22] Rechtbank Amsterdam, 2 april 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:3967. Vonnis vernietigd door: Gerechtshof Amsterdam, 23 juli 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2556. Tevens ‘ongehoorzaam’: Rechtbank Amsterdam, 2 april 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:3968. Rechtbank Amsterdam, 7 oktober 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:6633. Rechtbank Amsterdam, 7 oktober 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:6632. Rechtbank Amsterdam, 7 oktober 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:6619. Rechtbank Amsterdam, 7 november 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:8048. Rechtbank Amsterdam, 19 november 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:8587. Rechtbank Amsterdam, 19 november 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:8588. Rechtbank Amsterdam, 19 november 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:8589. Rechtbank Amsterdam, 19 november 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:8590. Rechtbank Amsterdam, 19 november 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:8591.

[23] Rechtbank Limburg, 18 augustus 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:7758.

[24] Rechtbank Midden-Nederland, 3 oktober 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:5267.

[25] HR 11 februari 2014, NJ 2014/137.

[26] GEA St.Maarten, 25 augustus 2014 (Masbunga-zaak).

[27] Politierechter Roermond, 26 februari 2010, ECLI:NL:RBROE:2010:BL7241, NJFS 2010/148.

[28] Gecasseerd: HR 6 november 2012, BX4280, NJ 2013/109 m.nt. T.M. Schalken.

[29] Hof Arnhem-Leeuwarden, 14 maart 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ4908, NJFS 2013/106.

[30] Rechtbank Limburg locatie Maastricht, 11 oktober 2013, ECLI:NL:RBLIM:2013:7594 (vastgoedfraudezaak Landlord).

[31] Rechtbank Gelderland, 26 juni 2013, ECLI:NL:RBGEL:2013:1449.

[32] Rechtbank Overijssel, 16 september 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:5167.

[33] A. van der Biezen in deBonjo, oktober 2014.

[34] HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:7, NJ 2013/563.

[35] Rechtbank Noord-Nederland, 16 oktober 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:5043.

[36] Rechtbank Amsterdam, 16 oktober 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:7083.

[37] Rechtbank Noord-Holland, 8 augustus 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:7769 (onherroepelijk).

[38] Hof Amsterdam, 23 september 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4109.

[39] Hof Amsterdam, 16 juli 2014, NbSr Geannoteerd (door T.J. Kelder) 2014/209.

[40] Zie daarover met name: A.E.M. Röttgering, Cassatie in strafzaken. Een rechtsbeschermend perspectief (diss. Tilburg University), Den Haag: Sdu 2013.

[41] In die zin  Corstens & Kuiper in Ad hunc modum (Machielse-bundel) , Deventer: Kluwer 2013, p. 57.

[42] G.J.M. Corstens & M.J. Borgers, Het Nederlandse Strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 920/921.

[43] Zoals de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (Wet Bob).

[44] A.E.M. Röttgering, Cassatie in strafzaken. Een rechtsbeschermend perspectief (diss. Tilburg University), Den Haag: Sdu 2013, p. 427.

[45] R. Kuiper, Vormfouten. Juridische consequenties van vormverzuimen in strafzaken (diss. Radboud Universiteit Nijmegen), Deventer: Kluwer 2014.

[46] HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308 m.nt. B.F. Keulen (Examen-arrest).

[47] Zie noot T.M. Schalken in NJ 2014/420.

[48] NJ 2010/441-442; NJ 2010/442; NJ 2011/141.

[49] NJ 2014/190; NJ 2012/146; NJ 2011/169, Belgische militaria-zaak, m.nt. T.M. Schalken.

[50] Kuiper, o.c., p. 384.

[51] Zie hierover: S. Brinkhoff, Startinformatie in het strafproces, Deventer: Kluwer 2014.

[52] NJ 2014/420 (Britse undercover agent), m.nt. T.M. Schalken

[53] NJ 2008/248; NJ 2011/141; NJ 2013/130.

[54] NJ 2014/352 (mensenhandel).

[55] NJ 2014/352 (mensenhandel).

[56] HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308 m.nt. B.F. Keulen (Examen-arrest). Zie ook de annotaties van T.M. Schalken in NJ 2014/420, NJ 2014/461 en NJ 2014/462.

[57] Goudsnip-zaak, NJ 2010/442. Tevens de gang van zaken rond CIE-informant; NJ 2010/440.

[58] NJ 2014/420, Britse undercover, anders dan A-G Aben, en Röttgering, p. 427.

[59] Zie noot T.M. Schalken in NJ 2014/420 sub 8.

[60] Hierover uitgebreid de noot van T.M. Schalken in NJ 2014/424, sub 3.

[61] T.J. Kelder in zijn annotatie bij Hof Amsterdam, 16 juli 2014, NbSr 2014/209: “Het is goed om te zien dat lagere rechters de grenzen van hogere rechtspraak verkennen, zeker in tijden waarin de hoogste rechter zich buitengewoon terughoudend opstelt waar het de sanctionering van onbegrijpelijk, onrechtmatig en in een enkel geval zelfs ronduit schokkend overheidsoptreden betreft.”