Ook wanneer een Europese Richtlijn nog niet in nationale wetgeving is geïmplementeerd, mag een rechter daarop een beroep doen als de nationale regeling in strijd is met beginselen van die Richtlijn? Handelt de Hoge Raad op het terrein van strafvordering in overeenstemming met dit uitgangspunt? 

(Annotatie van T.M. Schalken bij arrest van de Hoge Raad de dato 8 juli 2014 in de Nederlandse Jurisprudentie, NJ 2014/411)

 

NOOT:

 

 

1. Een in Nederland woonachtige en werkzame Turk, verdacht van faillissementsfraude, stelt een paar dagen te laat hoger beroep in van een vonnis van de politierechter waarbij hij bij verstek veroordeeld werd. Het hof verklaart hem niet-ontvankelijk, omdat hij verwijtbaar de beroepstermijn heeft laten verstrijken. Dit criterium is in lijn met vaste rechtspraak van de Hoge Raad, die termijnoverschrijding in bijzondere gevallen pas acceptabel vindt als de verdachte daarvoor verontschuldigbare gronden kan aanvoeren (Keulen/Knigge, Strafprocesrecht, Deventer 2010, p. 616). In hoger beroep verdedigde de verdachte zich ‘slechts’ met het argument dat hij de Nederlandse taal niet spreekt. Dat merkte het hof niet aan als een geldig excuus.

De verdachte, die al ruim 5 jaar in Nederland woonde en daar een bedrijf had, werd door het hof tegengeworpen dat hij reeds vroeg op de hoogte was van de tegen hem gerezen verdenking, zoals hem was meegedeeld bij zijn eerste verhoor in bijzijn van een tolk, terwijl de dagvaarding voor een zitting bij de politierechter hem in persoon was uitgereikt. Bovendien had hij die dagvaarding best door zijn Nederlands sprekende echtgenote kunnen laten vertalen. De Hoge Raad vond deze verwerping van het verweer niet onbegrijpelijk, nu de verdachte bekend had kunnen zijn met de datum van de uitspraak (en dus ook met de termijn van veertien dagen waarbinnen hoger beroep moest worden ingesteld).

Dit eigen-schuld-dikke-bult-argument is – zoals ook de wetgever erkende – in strijd met de nieuwe EU-Richtlijn 2010/64 en het op basis daarvan, ter uitvoering van art. 6 EVRM, recent ingevoerde vijfde lid van art. 260 Sv (Stb. 2013, 85). Daarin wordt de overheid verplicht om de verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, een schriftelijke vertaling van onder meer de dagvaarding te verstrekken dan wel nadere informatie te verschaffen omtrent de naderende terechtzitting en een korte omschrijving te geven van het tenlastegelegde feit.

Dit tot justitie gerichte directief biedt geen discretionaire ruimte om een onderzoek in te stellen naar mogelijke verwijtbaarheid aan de kant van de verdachte, op grond waarvan de overheid van haar verdragsverplichting zou kunnen worden ontslagen. Naar deze verplichting werd dan ook in de (rijk gedocumenteerde) cassatieschriftuur uitdrukkelijk en uitgebreid verwezen

Echter, ten tijde van de hier uitgebrachte inleidende dagvaarding waren de Europese Richtlijn alsmede de Nederlandse uitvoeringsbepaling nog niet in werking getreden, terwijl een Richtlijnconforme toepassing vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regeling nog niet geboden was, aldus A-G Hofstee, een opvatting die in de cassatieschriftuur werd bestreden, nu verdachte niet ondubbelzinnig en vrijwillig afstand had gedaan van zijn recht op aanwezigheid ter terechtzitting en het aldaar voeren van zijn verdediging (art. 6 lid 3 EVRM).

2. In verband met de geldigheid van Europese Richtlijnen blijft de vraag actueel in hoeverre de nationale rechter ook reeds uitvoering aan zo’n Richtlijn dient te geven tijdens de periode die aan de voorgeschreven implementatiedatum voorafgaat. Verwezen moge worden naar enkele uitspraken van het HvJ EU, waarin met zoveel woorden wordt vastgesteld dat, als in een Europese Richtlijn een algemeen beginsel tot uitdrukking wordt gebracht (zoals het beginsel van gelijke behandeling c.q. het beginsel van non-discriminatie als algemeen beginsel van gemeenschapsrecht) de nationale rechter – in het kader van zijn bevoegdheid de uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende rechtsbescherming van de justitiabele te verzekeren en de volle werking daarvan te waarborgen -, hij elke daarmee strijdige bepaling van nationaal recht buiten toepassing dient te laten (vgl. o.a. het Mangold-arrest  d.d. 22 november 2005, Zaak C-144/04 en het Kücükdeveci-arrest d,d, 19 januari 2010, Zaak C-555/07) Zie nader Nils Gonzalez Bos, Van Amsterdam naar Lissabon. EU-invloed op de rechten van de verdediging in het Nederlandse strafproces, Wolf Legal Publishers 2014..

Tegen de achtergrond van deze rechtspraak van het Luxemburgse HvJ kan dus niet meer worden volgehouden dat een belangrijk principe – zoals het informeren van de verdachte in zijn eigen taal  over cruciale procesmomenten – opzij kan worden geschoven door te verwijzen naar de enkele omstandigheid dat de implementatieperiode van de Europese Richtlijn nog niet is verstreken. Met het oog op deze Europese rechtspraak kan de Hoge Raad dus ook niet – maar dit terzijde – de verdachte zijn recht op bijstand van een raadsman tijdens het politieverhoor in een concrete strafzaak (zoals door een ander Europees Hof als uitgangspunt is aanvaard, de Salduz-doctrine van het EHRM) onthouden door te verwijzen naar het simpele feit dat de Europese Richtlijn, waarin dat recht principieel en uitdrukkelijk is vastgelegd, nog niet in de nationale wetgeving is verankerd (zoals de Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 1 april 2014, NJ 2014/268, rov 2.5.2,  m.nt. Schalken)

3. In het licht van deze nationale en internationale verplichtingen is de argumentatie van het hof in deze zaak nogal dubieus. Reeds uit de omstandigheid dat de Turkse verdachte tweemaal door een tolk werd bijgestaan, ook bij het hof om zijn appèl te verdedigen, was toch duidelijk dat de beheersing van de Nederlandse taal niet zijn sterkste kant was. Dat was op zichzelf al een omstandigheid om aan te nemen dat taalkundige bijstand voor deze verdachte niet overbodig was, ook niet ten tijde van de inleidende dagvaarding. Bovendien, door dat te negeren verzandt het onderzoek naar de verwijtbaarheid al gauw in bedenkelijke en banale discussies: waar bemoeit het hof zich eigenlijk mee door ook nog de Nederlands sprekende echtgenote ten tonele te voeren (wellicht wilde de verdachte in dit geval helemaal niet dat zijn vrouw op de hoogte was van de tegen hem geuite beschuldiging in een lopende strafprocedure)?. Dan kan de als eis gestelde inspanning om iets anders te ondernemen al snel neerkomen op een slag in de lucht, hetgeen ook nog eens unfair kan uitpakken (zoals in NJ 2014/179 met noot onder nr. 178).

Tenslotte, in dat onderzoek naar mogelijke disculpatie of verwijtbaarheid van de verdachte is de rechter ook nog eens bezig met de achterkant van het probleem. Bij een efficiënt ingerichte beroepsprocedure kost een behandeling  van de strafzaak vaak minder tijd dan, zoals in dit geval, een uitvoerige discussie over de tijdigheid van het ingestelde appèl, zeker als de verdachte, met tolk en raadsman, ook nog eens ter zitting verschijnt.

Soepelheid kan soms veel tijdwinst opleveren.

 

T.M. Schalken