Moedige uitspraak van strafrechter op Sint Maarten: in de geruchtmakende masbunga-zaak met betrekking tot “stemmenfraude” bij de Statenverkiezingen door of vanwege de United People Party (UP Party) werd het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard wegens schending van elementaire beginselen van een behoorlijke procesorde.

 

 

Tom Schalken:

 

1. Op 25 augustus j.l. deed het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten (als unus) een opmerkelijke uitspraak in een strafzaak die de politiek op het eiland maar ook in Nederland danig in beroering heeft gebracht. Door een vertegenwoordiger van de UP Party – in het vonnis wordt de naam genoemd van Theo Heyliger, die naar schatting drie miljoen US dollars in de partijkas zou hebben gestort – werd tijdens de Statenverkiezingen in 2010 op grote schaal vanuit het partijbureau geld uitgedeeld aan kiezers in ruil voor hun belofte dat zij op de UP Party zouden gaan stemmen. Na een onderzoek door de Landsrecherche van bijna vier jaar werden uiteindelijk vijf verdachten – de “stemmenkopers”  (die uit geldnood zouden hebben gehandeld) – vervolgd, terwijl geen onderzoek was gedaan naar de rol van de UP Party of de leiding daarvan – als de “stemmenverkoper”.

De rechter op Sint Maarten – waar voor het eerst sinds de status aparte als autonoom land binnen het koninkrijk zelfstandig verkiezingen werden gehouden – vond het “onbegrijpelijk” dat de leiding van de US Party op deze manier buiten schot bleef, terwijl in het dossier “meer dan voldoende” aanwijzingen te vinden waren om de betrokkenheid van de partij en haar vertegenwoordiger bij de grootschalige stemfraude te onderzoeken.

De Maartense rechter noemde om die reden de vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie in strijd met het gelijkheidsbeginsel (gelijke gevallen moeten gelijk worden behandeld) en in strijd met het verbod van willekeur, waardoor de schijn van “klassenjustitie” is gewekt. Deze strijdigheid met elementaire rechtsregels werd naar het oordeel van de rechter niet opgeheven door het aangevoerde capaciteitsprobleem bij de Landsrecherche.

2. De uitspraak van de rechter te Sint Maarten is opmerkelijk, omdat strijd met het gelijkheidsbeginsel niet snel in de rechtspraak wordt aangenomen. De enkele omstandigheid dat in een vergelijkbare, zelfs in dezelfde zaak de een wel en de ander niet wordt vervolgd, leidt niet automatisch tot niet-ontvankelijkheid van het OM (HR 11 februari 2014, NJ 2014/137). In een rechtssysteem, waarin de ongelijkheid als het ware zit ingebakken, is het moeilijk aan te tonen waarom bij opsporing en vervolging de ongelijkheid in het ene geval onrechtvaardiger is dan in het andere geval (zie daarover Corstens/Borgers, handboek strafprocesrecht, hfdst. 3.3).

In de Maartense zaak evenwel was de ongelijkheid in opsporing en vervolging zo evident, dat de politieke partij en haar leiding niet in de luwte kon blijven. De rechter merkt in zijn vonnis dan ook terecht op dat van stemfraude geen sprake kan zijn als de betrokkenheid van de “stemverkoper” niet vaststaat.

Behalve schending van gelijke behandeling wordt in het vonnis ook schending van het beginsel van zuiverheid van oogmerk genoemd. Daarvan is sprake wanneer de vervolging wordt aangewend voor een ander doel dan  waarvoor ze is gegeven. Door het doel van eenzijdige berechting voor ogen te hebben – het aanpakken van de “kleine vissen” – werd aan het juiste doel – het tegengaan van een praktijk van stemfraude door politieke partijen in Sint Maarten – voorbij gegaan.

3. Alles overziende zou aan de twee hier genoemde beginselen van een goede procesorde nog een ander beginsel kunnen worden toegevoegd: het beginsel van een redelijk en billijke belangenafweging. Door, ondanks de ongelijkheid en het onzuivere oogmerk, toch een vervolging te beginnen tegen enkele “stemmenkopers” kan niet worden gezegd dat het OM, als hoofd van de opsporing, op basis van een gebrekkig opsporingsonderzoek de in het geding zijnde belangen evenwichtig heeft afgewogen.

Zelfs valt te verdedigen dat het vervolgen van enkele “stemmenkopers” hun recht op een eerlijke behandeling van de zaak op grove wijze, wellicht zelfs doelbewust, is aangetast. Kleine vissen vinden het niet fair als de grote vis de dans ontspringt (niet zonder reden wordt deze zaak ook wel de masbunga-zaak genoemd, hetgeen ‘kleine vis’ betekent). Daarmee zou de handelwijze van het OM zelfs beantwoorden aan het Zwolsman-criterium – hetzij binnen of buiten het verband van art. 413 N.A. Sv (vergelijkbaar met art. 359a Ned. Sv) -, een criterium dat via het concordantiebeginsel ook voor de beneden- en bovenwindse Antillen geldt (HR 10 januari 2012, NJ 2012/438 m.nt. Reijntjes).

In cassatie bij de Hoge Raad heeft schending van de beginselen van goede procesorde als grondslag voor de niet-ontvankelijkheid van het OM meer kans van slagen naarmate meerdere beginselen specifiek worden aangeduid. Voor niet-ontvankelijkheid op grond van schending van het verbod van willekeur dan wel van het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging, is slechts ‘in zeer beperkte mate’ plaats (HR 6 november 2012, NJ 2013/109 m.nt. Schalken). Zo kan overschrijding van de redelijke termijn weliswaar niet (meer) tot niet-ontvankelijkheid van het OM leiden, maar dat kan weer wel indien het onredelijke tijdsverloop in beschouwing wordt genomen tesamen met schending van een ander belang. Zie hierover M.J.A. Duker, “Samenhang in buitenwettelijke gronden voor niet-ontvankelijkheid van het OM”, in Delikt & Delinkwent 2013/64.

4. Belangrijk is dat de rechter in zijn belangenafweging uitdrukkelijk het meest effectieve doel heeft betrokken dat met een strafvervolging in dit soort zaken van politieke fraude is gediend, namelijk het voorkomen van een praktijk van stemmenronselarij waarvan wordt aangenomen dat die in Sint Maarten ‘common’ is. Door de sanctie van niet-ontvankelijkheid te verbinden aan dit doel, dat werd afgewogen tegen het doel om enkele ‘kleine vissen’ te berechten, heeft de rechter zijn beslissing sterker gemaakt. Zie over deze doel-middel-benadering bij de sanctionering van gebreken in het OM-beleid het voor elke strafjurist in de rechtspraak verplichte boek van R. Kuiper, Vormfouten, Juridische consequenties van vormverzuimen in strafzaken, Kluwer 2014.

5. Op de Antillen wordt op de rechters in het Gemeenschappelijk Hof van Justitie regelmatig felle kritiek geleverd, met name als die ook nog uit Nederland afkomstig zijn (Waar bemoeien zij zich mee? Zij begrijpen de plaatselijke cultuur niet!). Als men in ogenschouw neemt wat er in de politieke cultuur allemaal misgaat, zoals ook de masbunga-zaak laat zien, moet men blij zijn dat rechters soms weigeren begrip te tonen voor de plaatselijke cultuur.

Good governance in de publieke sector – zie hierover Karel Frielink in Frielink/Murray, Twee Curaçaose meesters. Varia Juridica, Wolf Legal Publishers, Nijmegen 2011, p. 39 – is in St. Maarten een doel dat nog erg ver weg ligt.

 

Prof. mr. T.M. Schalken

 

(emeritus hoogleraar strafrecht en strafprocesrecht Vrije Universiteit Amsterdam, oud-lid van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie)