Spelonk-zaak: opmerkelijke herziening van een moordzaak op Bonaire met een opmerkelijk hoge schadevergoeding

 

(Annotatie T.M. Schalken bij vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie d.d. 1 juli 2013 in de Nederlandse Jurisprudentie, NJ 2014/232)

 

 

 

NOOT:

 

 

1. Het land de Nederlandse Antillen mag dan zijn opgeheven (per 10-10-’10), dat geldt niet voor de problemen met betrekking tot de rechtshandhaving. Bij de staatkundige ontmanteling ontstonden nog meer landen met een status aparte binnen het koninkrijk (naast het reeds autonome Aruba thans ook Curaçao en St. Maarten), terwijl de drie overgebleven eilanden (Bonaire, Eustatius en Saba, de zogenaamde BES-eilanden) als een ‘openbaar lichaam’, zeg maar als een eigensoortige gemeente, deel gingen uitmaken van het Europese moederland.

Er is weinig fantasie voor nodig om te bedenken welke inspanningen er nodig zijn om deze post-koloniale erfenis – met een cultuur die door de Curaçaose schrijver Boeli van Leeuwen ooit als een ‘geniale anarchie’ werd omschreven – beheersbaar te houden. Vooral op het terrein van wetgeving en rechtspraak zijn de problemen niet van de lucht. Al te grote verschillen zijn op het niveau van rijkswetgeving zoveel mogelijk teruggebracht tot concordante dan wel eenvormige instituties en procedures, die qua praktische uitvoering worden bewaakt door een en hetzelfde rechterlijk college, het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (GHvJ, waarna de namen van de zes eilanden volgen; korter kon kennelijk niet).

2. Een recente geruchtmakende strafzaak op Bonaire illustreert (voor een deel) welke juridische obstakels zich kunnen voordoen. In de zogenaamde Spelonk-zaak – waarin drie mannen wegens de moord op twee broers in 2005 nabij de vuurtoren Spelonk waren veroordeeld – rees al vrij snel het vermoeden, mede aangezwengeld door berichten in de media, dat de veroordeling (voor twee van de verdachten, Thomas en Melaan) niet juist kon zijn. In 2012 werd bij het GHvJ een herzieningsverzoek ingediend. Daarbij deed zich al meteen de vraag voor welk juridisch regiem op de herzieningsprocedure van toepassing was. Op Bonaire als een van de eilanden binnen Caribisch Nederland geldt immers de Nederlandse wetgeving, zij het met allerlei uitzonderingen (en met inachtneming van een overgangsperiode van 5 jaar).

Een van die uitzonderingen betreft het Wetboek van Strafvordering, zoals dat in 1997 voor de Nederlandse Antillen en Aruba is ingevoerd (en momenteel op onderdelen wordt geactualiseerd). Maar ook dat wetboek werd voor de BES-eilanden gedeeltelijk aangepast, echter met uitzondering van onder meer de herzieningsregeling (de artt. 453 t/m 475 Sv BES). Die regeling vormde dan ook de basis voor de te volgen herzieningsprocedure in de Spelonk-zaak.

Deze procedure verschilt in die zin van de Nederlandse situatie dat niet de Hoge Raad, maar het GHvJ zelf over het herzieningsverzoek beslist, uiteraard in een andere samenstelling dan die ten tijde van het bestreden vonnis (art. 474 Sv BES). In de Spelonk-zaak besliste het Hof in drie verschillende samenstellingen: eerst met betrekking tot een voorafgaand nieuw onderzoek onder leiding van de rechter-commissaris, daarna met betrekking tot de formele behandeling van de herzieningsaanvraag naar aanleiding van het nieuwe onderzoeksmateriaal (is er sprake van een novum?) en tenslotte met betrekking tot de daarop volgende inhoudelijke en openbare behandeling van de herzieningszaak.

3. Een andere complicerende factor betreft het novum-vereiste. In de Sv BES wordt nog het novum-criterium aangehouden zoals dat lange tijd in Nederland heeft gegolden, maar dat inmiddels in de Nederlandse Sv is gewijzigd: een ‘omstandigheid, die de rechter niet was gebleken’ is in 2012 vervangen door een ‘gegeven, dat de rechter niet bekend was’, zodat ook gewijzigde wetenschappelijke inzichten als novum konden worden aangemerkt (Stb. 2012, 275, w.o. 32 045).

In de Spelonk-zaak heeft het GHvJ (impliciet) het nieuwe (ruimere) criterum tot uitgangspunt genomen, hetgeen alleszins verdedigbaar is omdat handhaving van het oude criterium voor de BES-eilanden niet op een bewuste keuze van de wetgever berustte. Dat blijkt reeds hieruit dat in de op stapel staande actualisering van Sv BES het oude novum-vereiste overeenkomstig de nieuwe Nederlandse wetgeving is gewijzigd (vgl. prof. H. de Doelder e.a., red, Concept van een Caribisch Wetboek van Strafvordering, Wolf Legal Publishers 2013, p. 470).

Ook de Hoge Raad zou tegen toepassing van het nieuwe criterium op Bonaire geen bezwaar hebben gemaakt, nu de introductie van dat criterium in de Nederlandse wetgeving is terug te voeren tot gewijzigd inzicht in de rechtspraak, in welk geval de Hoge Raad toepasselijkheid in een ander land van het koninkrijk op grond van het concordantiebeginsel – wellicht anders dan bij een expliciet en politiek onderscheid in wetgeving (HR 5 juni 2007, NJ 2007/400 m.nt. Reijntjes) – aanvaardbaar en zelfs wenselijk acht (zoals met betrekking tot toepassing van het Zwolsman-criterium in het kader van normschendingen; HR 10 januari 2012, NJ 2012/438 m.nt. Reijntjes).

4. In zijn gegrondbevinding van de herzieningsaanvrage heeft het Hof nieuwe omstandigheden aangenomen die geheel passen binnen het nieuwe novum-vereiste uit de Nederlandse wetgeving en straks in de herziene Sv BES, met name aangaande de voor het bewijs gebruikte doorslaggevende belastende verklaringen die als vals werden aangemerkt (de bekentenis van Thomas met diens belastende verklaring ten opzichte van Melaan). Deze beslissing was niet gebaseerd op ‘slechts’ een andere interpretatie van de belastende verklaringen – in dat geval is nog niet duidelijk of de Hoge Raad dat als een novum wil accepteren – maar op nieuw bekend geworden ‘objectieve gegevens’ met betrekking tot de werkelijke alibi’s die het aannemelijk maakten dat Thomas en Melaan niet bij de dubbele moord betrokken konden zijn geweest (zoals kon worden opgemaakt uit grondige analyse van het gebruik van computer en mobiele telefoon). Alsdan vinden onjuist afgelegde verklaringen steun in verifieerbare en niet te beïnvloeden informatie.

Daarnaast kwam naar voren dat er onvoldoende, in elk geval onzorgvuldig onderzoek was gedaan, terwijl eveneens bepaalde informatie werd achtergehouden, zodat een ‘incompleet dossier’ aan de rechter was gepresenteerd, zoals de (fungerend) procureur-generaal ter zitting zelf opmerkte. In zo’n geval kent de Hoge Raad geen pardon (zie mijn opmerkingen bij HR 12 december 2012, NJ 2013/278, Zes van Breda).

5. Blijkens het hierboven afgedrukte vonnis van het GHvJ d.d.1 juli 2013 is de strafzaak van Melaan en Thomas heropend, waarna zij op grond van een nieuwe inhoudelijke behandeling bij vonnis van 14 november 2013 zijn vrijgesproken. Deze uitkomst van de herzieningszaak is reeds daarom opmerkelijk omdat het in het koninkrijk overzee vrijwel nooit voorkomt dat een aanvraag tot herziening – gemiddeld ongeveer 5 per jaar – wordt ingewilligd.

Voor een buitenstaander zou de vraag kunnen rijzen of dit laatste mogelijk samenhangt met de procedure binnen hetzelfde rechterlijk college waardoor de indruk kan ontstaan dat de slager zijn eigen vlees keurt. Een andere optie wordt wel eens bepleit, zoals een behandeling door de Hoge Raad, doch vanwege tal van praktische bezwaren (de geografische afstand, onvoldoende kennis van locale omstandigheden) is die mogelijkheid ook in de huidige (en de te herziene) strafvordering niet overwogen.

Het is duidelijk dat herziening wel een stevige wissel trekt op de integriteit van het Hof. Op grond van ervaringen uit het verleden – binnen hetzelfde college wordt immers ook in hoger beroep over de eerste aanleg geoordeeld – kan worden geconcludeerd dat de gang van zaken binnen het Hof, gelet op zijn professionele en wisselende samenstelling, geen serieus punt van kritiek vormt.

Toch is denkbaar dat in bepaalde gevallen, afhankelijk van het type zaak en de beschikbare capaciteit, andere rechters die niet tot het GHvJ behoren (bijv. plaatsvervangers uit Europees Nederland, zoals dat op andere rechtsgebieden reeds het geval is) als ‘verse’ magistraten worden ingezet om daarmee elke (objectieve) schijn van partijdigheid te vermijden. Dat zou een reden temeer kunnen zijn om alsdan de procedure – mede uit proceseconomische redenen – in die zin te bekorten dat de openbare en inhoudelijke behandeling van de heropende strafzaak direct na gegrondbevinding van de herzieningsaanvrage plaatsvindt en niet gescheiden op een later tijdstip zoals nu het geval is (art. 461 lid 2 Sv BES).

In de Spelonk-zaak, waarin de verdachten zelfs door locale advocaten in de steek waren gelaten, werd de verdediging geheel vanuit Europees Nederland gevoerd (door het gepassioneerde Knoops-team), werd het OM vertegenwoordigd door een Nederlandse officier van justitie die als procureur-generaal waarnam en werd het nadere en uitgebreide onderzoek, naast het onderzoek van een Curaçaose psycholoog, uitgevoerd door voornamelijk uit Nederland afkomstige politieambtenaren en deskundigen. Dus waarom dan ook niet de herziening door speciaal aangestelde rechters uit Nederland?

6. In de Spelonk-affaire wordt een pijnlijke situatie zichtbaar zoals die zich met name op Bonaire al heel lang bij de politie voordoet en zelfs heden ten dage nog niet is opgelost, zoals ook de (Nederlandse) Minister van Veiligheid en Justitie onlangs moest erkennen toen hij het rapport van de Raad voor de Rechtshandhaving aan de Tweede Kamer aanbood. In dat rapport worden ‘significante knelpunten in het opsporingsproces door de recherche op Bonaire, Sint Eustatius en Saba’ gesignaleerd die ‘al lange tijd bekend waren’. De meest prangende knelpunten en aanbevelingen van de Raad hebben betrekking op ‘de beschikbare capaciteit voor de recherchefunctie, het leiderschap en de sturing binnen de recherche’. De minister merkt in zijn brief aan de Tweede Kamer droogjes op dat er nog ‘het nodige achterstallige onderhoud’ moet plaatsvinden en dat er nog een ‘sprong gemaakt moet worden naar de eisen die in Nederland aan een moderne politieorganisatie worden gesteld’ (Kamerstukken II 2013/14, 29 279, nr. 170). Over gebrek aan expertise en vooral een verkeerde mentaliteit bij de recherche zegt de minister niets. Dat belooft nog wat als straks de verplichte bijstand van een advocaat tijdens het politieverhoor wordt ingevoerd (Salduz, zie Concept Caribisch Wetboek van Strafvordering, art. 48 lid 4, met toelichting op p. 325).

7. Tegen die achtergrond wordt eens temeer duidelijk dat de omstandigheden op het gebied van de opsporing in tropisch Nederland, in combinatie met de penitentiaire situatie aldaar die, hoewel verbeterd, nog altijd precair is (om het maar netjes uit te drukken), permanent dwingen tot buitengewone behoedzaamheid bij de beoordeling van politieel onderzoek als basis voor een veroordeling van onze rijksgenoten overzee.

In de Spelonk-zaak kwamen zoveel fouten aan het licht dat het OM het met de verdediging eens was (zij het op het laatste moment) dat de veroordeling onterecht was geweest. De (fungerend) procureur-generaal bood ter zitting – hetgeen niet vaak voorkomt – namens de Nederlandse Staat excuses aan.

Daarom verbaast het dat bij de afwikkeling van de zaak (want welke overheidsinstantie is bevoegd?) toch weer dispuut is ontstaan over een fatsoenlijke schadevergoeding. Weer moest er een rechter aan te pas komen (hetzelfde Hof) om dat af te dwingen. Bij beschikking van 11 april 2014 werd, zeker voor locale begrippen, een zeer hoog bedrag toegekend, gewoon uit te keren door de Nederlandse Minister van Financiën. Van zijn ongenoegen maakte het Hof geen geheim.

Neen, als het om herstel van in het verleden begane fouten gaat, heeft Nederland niet de reputatie van een sportieve overheid.

 

T.M. Schalken